Verhalen

Terugdenken aan Sinjar

Zes jaar geleden, op 3 augustus 2014, plaatste ik een foto op Facebook van een kleine, grappige kikker die op mijn tuinstoel zat. Een klein, grijs kikkertje. Hij leek wel een dotje kauwgom. Ik noemde hem Wrigley.

Op dezelfde dag, op duizenden kilometers afstand, in Sinjar in Irak, waren mensen aan het rennen voor hun leven. Letterlijk. Vaak wordt daarvoor het woord ‘vluchten’ gebruikt. Ik ben nog nooit gevlucht. Dat heb ik nooit hoeven doen. Twee jaar later heb ik sommige van deze mensen leren kennen en werden we vrienden. Ze waren nog steeds elke dag aan het worstelen om te overleven.

Vandaag herinneren alle Jezidi’s zich precies wat ze op die dag deden, wie ze zijn kwijtgeraakt, wie er nog steeds vermist zijn en wat er voorgoed veranderd is. Ik denk – in het klein – ook terug aan mijn tijd in de regio Sinjar in Irak en deel wat foto’s. Laat dit een eerbetoon zijn aan alle mensen die mij hun verhalen hebben toevertrouwd, die mij bij hen thuis hebben ontvangen, die moeten toezien hoe hun levens nooit meer zo zullen zijn als ze gedroomd hadden.

Dit is een van de eerste foto’s die ik in Irak maakte. Het eerste ontheemdenkamp waar ik kwam, was Sharya. Daar zaten toen 18.000 Jezidi’s uit Sinjar. In haar gezicht zag ik kracht. Diezelfde kracht zag ik in alle Jezidi-vrouwen die ik ontmoette.
Dr. Omar werkte in de Medair-kliniek in het kamp Sharya. Hij was al jaren arts in Sinjar en sommige mensen in het kamp waren vroeger patiënten van hem. In de dagen voor de ‘crisis’, zoals het genoemd wordt, had dr. Omar de kans om met zijn directe familie naar Duhok te gaan. Maar al na een paar uur gingen ze weer terug – een levensgevaarlijke reis.

“Als we daar bleven, zouden we in leven blijven,” vertelde hij me. “Maar wat hadden we dan zonder de rest van onze familie moeten doen?”

In de chaos van de crisis zagen mensen de auto van dr. Omar in brand staan langs de kant van de weg. Men dacht dat hij dood was, maar later bleek dat hij zijn auto had uitgeleend aan de buren. Veel patiënten huilden van opluchting als ze hem aan het werk zagen in het ziekenhuis in het kamp Sharya.

Khalid was een van de eerste medewerkers van het Medair-programma in Irak tijdens de eerste noodhulp. In de eerste dagen na de crisis verhuurde hij zijn auto aan het noodhulpteam van Medair. Hij had zijn carrière zo niet gepland.

Khalid en zijn broers hadden jarenlang gewerkt en gespaard en waren net klaar met de bouw van een huis voor hun familie in het dorp. De moeder van Khalid liet me op een dag foto’s zien van het huis met een prachtige design tegelvloer. Een wenteltrap, helder gele buitenmuren, de plek waar ze samen met haar man haar kleinkinderen zou zien opgroeien. Aan het eind van de fotoserie zag ik de meest recente foto van het huis: vernield, de gele buitenmuur in puin. Het huis is geplunderd en gesloopt.

Zes jaar later is de familie van Khalid uiteen geslagen en hijzelf is projectmanager bij Medair. Vroeger droomden de broers ervan om hun kinderen samen op te voeden, maar nu hebben ze contact via Skype.

In 2018 kwam Shary naar me toe bij de Medair-kliniek in Khanasor. Ze liet me foto’s zien op haar telefoon. Tijdens de crisis waren 76 van haar familieleden ontvoerd. Ze vertelde dat er nog steeds 41 vermist waren. Later hoorde ik dat Shary en haar twee zussen in dit dorp een populaire salon hadden. Alle vrouwen lieten er voor speciale gelegenheden hun haar en make-up doen.

Voor de crisis waren Shary en haar zussen onafscheidelijk.

Haar zussen werden op 3 augustus 2014 meegenomen. Eén van beide zussen kwam later terug.

In augustus 2017 voerde ik met ons team een van de eerste opnames uit in de stad Sinjar. Terwijl de mensen begonnen terug te keren, openden we het eerste medisch centrum. Het gaf me een beklemmend gevoel om door de verlaten straten te lopen. Ik dacht aan het geweld dat hier had plaatsgevonden. Elk ingestorte gebouw was een droom die in duigen lag. Mijn collega’s en mensen die ik sprak vertelden over vroeger, toen ze naar de stad gingen om inkopen te doen. De kinderen werden dan getrakteerd op snoep.

De verhalen grepen mij als vreemdeling aan, maar mijn collega’s bleven nooit hangen in hun herinneringen. Ze waren bezig met het weer opzetten van belangrijke voorzieningen in de delen van Sinjar die weer opengingen.

Elias is een jonge arts in Sinjar. Hij werkt voor Medair in dezelfde dorpen als waar hij had oorspronkelijk had willen werken met zijn broers, die apotheker en radioloog zijn.

Op 3 augustus 2014 vluchtte zijn familie van het ene dorp naar het andere. Ze wilden de veilige berg Sinjar bereiken en hoorden via de telefoon wat er op andere plekken gebeurde. Elias stuurde een bericht naar zijn verloofde Gozi. Hij was bang dat ze het niet zouden halen. Hij maakte zich zorgen om zijn oma, die niet mee was gekomen omdat ze de familie niet wilde ophouden.

In 2018 nam Elias mij mee naar zijn inmiddels leeggeroofde huis. Hij raakte de dode bladeren van de olijfbomen aan en vertelde over de prachtige tuin die zijn moeder had aangelegd.

“Het was nooit in ons opgekomen dat we ergens anders zouden wonen,” vertelde hij me. Hij liet de kamer zien die hij met zijn oma deelde. Zijn aantekeningen en boeken van de artsenopleiding lagen overal over de vloer. “Nu wonen we in verschillende landen.”

Een paar dagen na hun vlucht, ging Elias’ broer terug naar het dorp om hun oma met de auto op te halen. Elias en Gozi trouwden in 2018.

Alle leden van ons Medair-team in Sinjar hadden hun eigen verhaal van de crisis.

Een keer stond ik met een collega op de berg Sinjar. Hij vertelde dat hij zijn vrouw en kinderen met een smokkelaar het land uit had gestuurd. Hij gebruikte een app op zijn telefoon om hun overtocht in een rubberboot over de Middellandse Zee te volgen.

De zoon van een collega was tijdens de crisis in Sinjar ontvoerd. Na meer dan drie jaar werd hij vrijgelaten, maar hij kon zijn Koerdische moedertaal niet meer spreken.

Een van de teamleden, een zachtaardige man die vaak vertelde hoe veel hij van zijn vrouw hield, was niet in Sinjar ten tijde van de crisis. Zijn vrouw en twee jonge kinderen waren thuis in hun dorp en de wegen waren versperd. De gevechten kwamen vlakbij zijn gezin. Hij ging te voet op weg, stond oog in oog met de strijders, maar wist zijn huis te bereiken. In 2018 kregen hij en zijn vrouw hun derde kind.

 


Zes jaar later wonen sommige mensen nog steeds op de berg Sinjar. Ze zijn bang om terug te gaan naar hun dorpen of niet in staat om hun verwoeste huizen weer op te bouwen. Veel mensen zijn nog steeds vermist. Af en toe komen er mensen terug na jarenlange gevangenschap. De Verenigde Naties heeft de gebeurtenissen in augustus 2014 benoemd als genocide tegen de Jezidi’s in Irak.

 

Voor deze inhoud is gebruik gemaakt van informatie van Medair-medewerkers in het veld en op het hoofdkantoor. De zienswijzen in dit bericht vallen onder de verantwoordelijkheid van Medair en dienen op geen enkele wijze beschouwd te worden als de officiële opvatting van enige andere organisatie.