Haïti: ‘Dagen zijn waar we leven’

Medair-medewerker Vanessa Nicholson over haar dagen in Haïti.
‘Dagen zijn waar we leven’. Deze dichtregel van Philip Larkin ging vaak door mijn hoofd tijdens mijn tijd in Haïti.
Onze dagen hier bestaan uit huizen bouwen voor mensen die door de aardbeving hun plek zijn kwijtgeraakt.
Jonès Valentin (61) woont in een piepklein hutje, niet groter dan een kippenhok. Hij kan er niet in staan of rondlopen. Voor zijn vrouw Fédéna is geen plaats, daarom woont zij bij hun dochter en kleinkinderen.
Van alle mensen die ik in Haïti ontmoet heb, heeft het verhaal van Jonès mij het meest geraakt. Tijdens een onderzoeksreis in maart ontmoette ik hem voor het eerst in zijn dorp Gris-gris in de afgelegen bergregio Côtes-de-Fer. Hij zag er niet goed uit, waarschijnlijk door de blootstelling aan het weer, het slechte onderdak en de onhygiënische omstandigheden.
En ondanks dat het niet gemakkelijk moet zijn om zonder zijn vrouw in zo'n benarde situatie te leven, klaagt Jonès niet. “Het lekt niet,” zegt hij met een dankbaar knikje naar zijn kleine hut.
Jonès was hard aan het werk voor een nieuw huis en had plaatselijke werklieden ingehuurd om hem daarbij te helpen. Maar bij de bouw werden dezelfde fouten gemaakt die er ook toe leidden dat er zoveel huizen instortten tijdens de aardbeving. Het rottende hout werd aangevreten door termieten. Het houtskelet was zonder fundering op een bergrand neergezet. Volgens mij zou het huis geen zware regenval kunnen doorstaan, om nog maar te zwijgen van een orkaan of aardbeving.
Slecht gebouwde woningen zijn als niet-ontplofte landmijnen over heel Haïti verspreid. Ze zijn overal, op gevaarlijke heuvelhellingen of in de steden. De mensen zijn zich bewust van de dreiging die hun eigen huis voor hen vormt. Ze zijn bang dat hun huis tijdens de volgende zware aardbeving hun graf wordt. Ze doen de deuren niet op slot, zelfs niet 's nachts in de stad. Dan kunnen ze sneller naar buiten vluchten. Ook slapen ze in de zomer wel op de daken.
Toen ik uit de bergen terugging naar Jacmel, bleef Jonès nog lang in mijn gedachten. Het leek zo onvermijdelijk dat de geschiedenis zich zou herhalen voor zijn gezin als er geen hulp kwam.
Bij mijn tweede bezoek aan Gris-gris zie ik een bouwteam van Medair op een bekend stuk terrein druk bezig met een huis. Ons team heeft Jonès en zijn gezin beoordeeld als één van de kwetsbaarsten in Côtes-de-Fer en daarom krijgen ze een nieuw huis. Het doet me goed. Het bouwteam timmert erop los en praat en lacht onderwijl honderduit met de familie van Jonès.
“Er kwam een paar maanden geleden iemand langs om te vertellen dat we een nieuw huis zouden krijgen,” vertelt Jonès me. “Ik was zo blij toen ik dat hoorde. Ik heb het direct aan mijn vrouw en mijn familie verteld. Ook zij waren heel blij met het nieuws. We moesten het oude huis slopen om plaats te maken voor het nieuwe huis, maar dat deden we met plezier!”
Deze keer lijkt Jonès haast een andere man. Met zijn nieuwe huis in aanbouw achter ons was er iets merkbaar veranderd in zijn manier van doen. “Zelf konden we dit huis niet bouwen,” zegt hij. “We bidden elke avond voor Medair.”
We spreken elkaar tussen de stapels geïmporteerd kwaliteitshout, waarmee het huis gebouwd wordt waarin hij de rest van zijn leven kan wonen. Af en toe waarschuwt hij een kleinkind om niet over het hout te rennen. Hij is ontspannen, duidelijk op zijn gemak en aanstekelijk rustig: een nieuw huis in aanbouw en een gezinshoofd herboren.
Tijdens onze eerste ontmoeting zag Jonès er waardig uit, ondanks de vreselijke omstandigheden waarin hij zat. Maar nu ik hem weer zie, is het duidelijk dat zijn huis en zijn waardigheid voor mijn ogen opgebouwd worden. De effecten van armoede en rampspoed op de waardigheid van een persoon zijn duidelijk te merken. En het is buitengewoon als die waardigheid weer hersteld wordt.
Herstel van een land kan niet zonder herstel van de mensen. Jonès staat nu iets rechterop en kijkt naar zijn huis dat in aanbouw is. Hier gaat hij oud worden. Hier gaat hij zijn kleinkinderen zien opgroeien.
Voordat ik vertrek, laat ik Jonès en Fédéna de foto's zien die ik van hen gemaakt had. Ze lachen om de serieuze blikken. We kijken bewonderend naar het werk van de timmerlui. In deze tijd van het jaar is het koud in de bergen, ze staan dus voor de verandering een keer niet in de brandende zon te werken. Ze nemen onze bewondering glimlachend aan.
Waarschijnlijk zie ik Jonès nooit meer. En dat hoeft ook niet. Ze zullen ons bij de volgende ramp niet meer nodig hebben. Wij kunnen verder naar andere gemeenschappen, nog verder de bergen in. We kunnen nog meer huizen bouwen, mensen veiliger bouwtechnieken aanleren en eraan werken om Haïti vrij te maken van gevaarlijke huizen.
Dat is de hoop. De Haïtianen hebben veilige huizen nodig. Omdat dagen zijn waar we leven en omdat we onze dagen in huizen doorbrengen.
______________________________________________________________________________________
We hebben nu meer dan 3.200 huizen gebouwd in Haïti en bijna 20.000 mensen meer veiligere huizen gegeven. Levens veranderen ten goede. Maar er zijn nog een half miljoen mensen zonder onderdak. Doe met ons mee en geef een levensveranderende gift voor de mensen van Haïti.
Lees meer over het werk van Medair in Haïti.
In Côtes-de-Fer zijn we begonnen aan de bouw van 250 huizen voor de kwetsbaarste mensen. Daarnaast repareren we nog eens 750 huizen. Elk huis waaraan we werken krijgt zonodig een regenwateropvangsysteem en latrines. We leren de mensen hoe ze zelf veilige onderkomens kunnen bouwen om het risico op letsel bij nieuwe rampen te verminderen. Ook geven we voorlichting over goede hygiëne.
Voor dit artikel is gebruik gemaakt van informatie van Medair-medewerkers in het veld en op het hoofdkantoor. De zienswijzen in dit bericht vallen onder de verantwoordelijkheid van Medair en dienen op geen enkele wijze beschouwd te worden als de officiële opvatting van enige andere organisatie.








